Dit verhaal is op 26 jarige leeftijd geschreven. Ik ben nu 62 jaar oud en vind het verhaal nog steeds de moeite van het lezen waard. In het stuk komt een verschijnsel voor dat ze in de psychiatrie met "depersonalisatie/derealisatie" aanduiden, een verschijnsel dat vaak voorkomt bij rouw. Hier is de situatie lastiger, omdat de hoofdpersoon een puber van tweeëntwintig jaar is. Ik vind het belangrijk het te vertellen, omdat mensen er in het algemeen slecht mee kunnen omgaan. Ook in dit verhaal worden er wel handen uitgestoken, maar die handen worden door de puber afgeslagen. Het stuk is vanuit de beleving van de puber geschreven. De “depersonalisatie/derealisatie” biedt een mogelijkheid om tegenstrijdige en conflictueuze gevoelens op te lossen!

Afscheid.

Klik op ”Afscheid“ voor de eerste pagina oorspronkelijke tekst uit 1974, geschreven door: Willem te Molder.

        

Februari 1970.

Alleen thuis.

Als hij thuis komt, staan zijn moeder en zus op het punt uit te gaan. Ze staan al buiten. Als hij naar binnengaat, gaan zij ook naar binnen. Hij doet alsof hij niets merkt. Hij gaat naar zijn slaapkamer, zet zijn schooltas bij de boekenkast neer, en gaat dan de keuken in: “Is er al thee?” “Ja, d′r is al thee”, antwoordt zijn moeder. “Nu moet je eens goed luisteren, jongen”, gaat ze verder, “je vader ligt te slapen. Wij moeten nodig een nieuwe pyjama voor hem kopen. Hij moet iedere dag verschoond worden en je blijft aan het wassen. Het kan zijn dat je vader wakker wordt. Dan moet je hem maar zeggen dat wij even naar de winkel zijn en binnen het uur weer thuis.”

Zijn zusje houdt de grijze deur aan het ene einde van de gang, die de keuken met de slaapkamer van zijn ouders aan het andere einde van de gang verbindt, angstvallig achter zich dicht. Zijn moeder en zijn zusje kijken hem gespannen aan.“Maak dus geen lawaai. Als je de radio aan wil zetten, zet hem dan zachtjes aan”, vermaant zijn moeder hem. “Ik was van plan te gaan lezen”, zegt hij.

Dan verdwijnen ze geruisloos uit de keuken. De klok tikt, hij pakt een boek en begint daarin te lezen. Alles is stil. Buiten is het bladstil, het vriest. Hij schenkt zich een kopje thee in en kijkt rond in de keuken. De boerderij is verbouwd. Aan deze kant van de boerderij wonen zijn ouders en hij; aan de andere kant zijn zusje en haar man en kind. De man van zijn zus is naar zijn werk. Hij is metselaar en heeft de gehele verbouwing van de boerderij praktisch in z′n eentje uitgevoerd.

De zoon kan zich slecht concentreren op zijn boek. Hij is te snel afgeleid door alles om zich heen. Hij voelt zich nog onwennig in de nieuwe keuken. Dan hoort hij roepen. Zijn vader roept hem. Hij doet net alsof hij niets hoort en buigt zich dieper over zijn boek. Maar het roepen houdt aan. Het klinkt wanhopig. Wrevelig staat hij op, opent de deur naar de gang, de deur naar de slaapkamer en ziet zijn vader in het halfdonker op de rand van zijn bed zitten. Hij heeft zijn onderbroek ergens rond zijn knieën hangen. De zoon schrikt. Hoorde hij roepen, of dacht hij alleen maar roepen gehoord te hebben? Een stem in zijn hoofd?

“Ik werd wakker, omdat ik helemaal nat was”, zegt zijn vader schor. Weer die wanhopige klank in zijn stem. “Daarom wilde ik een schone onderbroek aan trekken, maar die ligt daarginds op de stoel en daar kan ik niet bij komen. Waar zijn moeder en A.?” “Waarom hebben ze, godverdomme, zijn onderbroek niet op het nachtkastje gelegd?”, denkt de zoon. “A. en moeder zijn naar de winkel om nieuw ondergoed te kopen”, antwoordt hij mechanisch, alsof zijn moeder nog achter hem staat. “Naar de winkel? Maar dat is helemaal niet nodig! Ik heb toch spullen genoeg. Help jij me dan maar. Wil je die pijpen van mijn onderbroek over mijn voeten heen trekken?” Als de zoon de pijpen van de lange onderbroek over de voeten van zijn vader trekt, kijkt hij omhoog. Hij ziet de lul van zijn vader. Helemaal geen klein verschrompeld oud dingetje; een flink geslachtsdeel.

De vader merkt zijn blik op. Even glijdt er een triomfantelijke glimlach om zijn mond, als om te zeggen: Dat had je niet gedacht, hè? De zoon kijkt naar beneden, waar zijn handen onhandig de natte broekspijpen over de eeltige voeten van zijn vader proberen te trekken. Eindelijk is het gelukt. Hij houdt de zeiknatte onderbroek met twee vieze vingertjes van zich af en gooit hem bij de deur neer. Hij pakt het schone ondergoed van de stoel en legt het naast de voeten van zijn vader. “Eerst de onderbroek maar”, mompelt hij. “Als jij de pijpen aan mijn benen stroopt, kan ik de rest wel”, zegt zijn vader. De zoon voelt zich onhandig en hij voelt dat hij beeft. Als hij de pijpen aan de stroeve benen van zijn vader heeft getrokken, staat zijn vader wankelend op. De zoon gaat ook overeind staan. Hij is groter dan zijn vader. Zijn vader weet met krampachtige rukjes zijn onderbroek over zijn billen te hijsen. Zijn vader ploft op bed neer en de zoon schaamt zich niet meer.De zoon is nog jong. Hij voelt zich sterk. Zijn vader is oud en ziek. “Nu nog een droog hemd aan”, zegt hij. “Dat hoeft niet”, zegt zijn vader. “Maar natuurlijk vader, anders wordt alles toch weer nat.” “Ik doe het niet. Ik ben veel te moe. Als moeder en A. thuis komen, kom je het dan even zeggen?” “Hij voelt zich in de steek gelaten”, denkt de zoon. Dan dringt hij er verder niet meer op aan dat zijn vader nog een schoon hemd aan moet trekken. De oude man legt voetje voor voetje zijn voeten in bed en trekt de dekens over zich heen. “Als je me weer nodig hebt, roep je me maar”, zegt de zoon en gaat de kamer uit.

In de keuken schenkt hij zich een nieuw kopje thee in. Hij legt zijn boek terzijde en gaat naar buiten zitten staren. Hier en daar ligt nog sneeuw, die een paar weken geleden gevallen is. De bomen zijn kaal. Tussen de takken een donkere sombere schaduw. “Er zal nog meer sneeuw vallen”, denkt hij. Op de weg is geen mens te zien. Ook om de dichtstbijzijnde boerderij hangt een sombere sluier. “Het begint al laat te worden”, denkt hij. “Waar blijven toch mijn moeder en zusje?” Verder denkt hij niet. Iets anders heeft alweer zijn aandacht getrokken. Een fietser, een duistere figuur, die door hard op de pedalen te trappen de kou probeert te vergeten. Hij heeft zijn hoofd helemaal in de kraag van zijn jas getrokken, zodat zijn pet boven op de kraag lijkt te staan.

Dan wordt er aangebeld: zijn moeder en zus zijn terug van de winkel. Zijn moeder trekt een angstig, schuldig gezicht, alsof ze net van een andere man komt. “Is vader al wakker?”, vraagt ze. “Ja”, zegt hij, ”hij heeft een schone onderbroek aangetrokken, maar hij wilde geen schoon hemd aantrekken.” “Ik ga wel even”, zegt zijn zus. Als zij de deur opent, zegt ze: “Maar vader toch, je moet toch ook een schoon hemd aantrekken!?” “Hoe konden jullie nou weggaan en die jongen alleen thuis achterlaten”, antwoordt zijn vader. Zijn stem klinkt huilerig nu. De spanning is van hem afgevallen. Ze zijn teruggekomen. De zoon hoort alleen nog: ”Naar de winkel.....” Het is de stem van zijn vader, de bekende stem van zijn vader vol misprijzen over wat anderen doen, dan sluit zijn zus de deur. De zoon gaat samen met zijn moeder naar de keuken. “Maar we moesten toch nieuwe kleren kopen. Zo kon het echt niet doorgaan”, verontschuldigt zijn moeder zich. “Natuurlijk”, antwoordt de zoon. Zijn stem klinkt mannelijk, zeker van zichzelf.

Op ziekenbezoek.

“Waarom ga jij zo weinig bij je vader op bezoek?”, vraagt zijn moeder hem. “Maar moeder je weet toch dat ik altijd samen met mijn broer A. ga. Ik moet hard werken voor mijn eindexamen. Anders dan zak ik weer”. “Ik zie je anders vaak genoeg in de stoel van je vader zitten slapen of lezen en niet studeren”, zegt zijn moeder.

De zoon herinnert zich wat zijn moeder hem een paar weken geleden vertelde. De ambulance was gekomen. Zijn vader kon echt niet meer thuis blijven, had de dokter gezegd. De brancard had bijna niet door de voordeur naar buiten gekund. Ze hadden de brancard schuin gehouden, zijn vader had er lijdzaam zijdelings in gebungeld. Dat was het beeld dat zijn moeder hem voor ogen had geroepen. “Toen ik dat zag, kreeg ik tranen in mijn ogen”, had zijn moeder hem gezegd – in de deuropening – – de scheve brancard – – – Dat beeld had de zoon vastgehouden. Vanaf die tijd heeft hij geweten dat zijn vader dood ging. Dood. Weg, weg uit zijn leven. Toen heeft hij afscheid van zijn vader genomen en daarom wil hij hem zo weinig mogelijk bezoeken. Voor hem is zijn vader al zo goed als dood.

“Goed, ik ga al”, zegt de zoon tegen zijn moeder. Zij heeft tranen in haar ogen. Hij voelt zich hard worden, zijn oude verzet komt in hem boven drijven. “Hij heeft vandaag nog geen bezoek gehad”, zegt zijn moeder, “en dat is toch schande.” “Vooral dat laatste, dat moet je eraan toevoegen”, denkt de zoon. Hij gaat naar zijn slaapkamer om te studeren. Maar het lukt hem niet. Wel honderdmaal herhaalt hij tot zijn eigen verbazing dezelfde regel.

Als het tijdstip om naar het ziekenhuis te vertrekken is aangebroken, treuzelt hij. De ritssluiting van de jas hapert. Hij zet zijn helm op; in het bandje waarmee je de helm vastgespt, kan hij niet het gaatje vinden, waarin het pennetje van de gesp moet. Zijn das doet hij wel driekeer op dezelfde manier om; telkens zijn de uiteinden te kort om ze goed onder de jas te stoppen.

Dan rijdt hij op zijn bromfiets. De kou slaat hem in het gezicht. De kou zuivert hem, ze doet pijn in zijn wangen, zijn vingers tintelen. Hij komt tot rust. Hij neemt zich voor bij het ziekbed van zijn vader geen ruzie te maken. Voor het ziekenhuis aarzelt hij. Traag klimt hij de trappen op. In de gang zet de zoon zijn helm af, doet hij zijn das los en ritst hij zijn jas open. Grijze vloeren in de gele gangen van het ziekenhuis. Deur voor deur gaat hij voorbij. Heel even kijkt hij naar binnen. Bij bijna elk bed ziet hij bezoekers: mensen met uitgestreken ernstige gezichten, mensen die verveeld wat op hun voeten staan te draaien en dan een opmerking over het weer maken.

Dan staat hij voor de deur van de ziekenkamer van zijn vader: nummer 38. In een hoek bij het raam staat het bed van zijn vader. “Je had echt niet hoeven komen”, is het eerste dat zijn vader zegt. “Hoe gaat het ermee”, antwoordt de zoon. “Oh, wel goed. Alleen, die prikken in mijn vingers... Ik kan bijna geen lepel meer in mijn hand houden, zo′n pijn doet het.” Zijn vader laat een beverige vingertop zien, waarop wel twintig paarse kleine puntjes staan. “De eerste keer doet het geen pijn, maar ze blijven maar doorgaan. Ik weet niet wat ze ermee voor hebben.” “Dan moet je eens vragen of ze je in een andere vinger prikken.” “Die hebben ze allemaal al gehad. Kijk maar, deze vinger hebben ze nog het minst gehad.” De zoon weet niet meer wat hij moet zeggen. Hij kijkt naar de handen van zijn vader. Hij kijkt naar zijn kleine hoofdje, dat bovenop de hoge stapel kussens ligt, zodat zijn vader bijna rechtop in bed zit. Hij kijkt naar de zwarte plek op de linker slaap van zijn vaders hoofd, die steeds maar groter wordt. Zijn vader heeft leukemie, hebben de doktoren gezegd. Een ongeneeslijke ziekte. Maar in zijn gezondheidstoestand zou hij nog wel een paar jaar kunnen leven. De zoon gelooft dat niet. Zijn vader gaat binnenkort dood. Hij weet het, hij weet het zeker.

De handen van zijn vader verdwijnen onder de dekens. Zijn vader begint zich verwoed te krabben. Waar kan de zoon niet zien. “Dat moet je niet doen”, zegt de zoon zwakjes tegen zijn vader. “Als jij eens zo′n jeuk had, dan zou jij het ook doen. De verpleegsters zeggen ook steeds: Meneer, dat moet u niet doen. U legt uw handen boven op de dekens en probeert ze steeds boven de dekens te houden. Ze moesten zelf eens hier liggen, dan had ik hen wel eens willen zien.” “Ja ”, zegt de zoon. “Ik hoorde van moeder dat jij een ander vriendinnetje hebt. Moeder zei dat dat meisje uit Amsterdam kwam. Ze is toch wel katholiek?” “Vader, ik ken d′r nog maar pas. Ik heb haar nu twee keer gezien. ′T is alleen maar een vriendinnetje.” “Ja, ja, alleen maar een vriendinnetje. Jongen, als je mijn raad wilt opvolgen, zorg er dan voor dat je met een goed katholiek meisje trouwt.” “Maar vader ik ken d′r nog maar pas en jij hebt het meteen al over trouwen. Daar denk ik nog helemaal niet aan.” “Laat ik je één ding zeggen: twee geloven op één kussen, daar ligt de duivel tussen. En dat moet voor jou genoeg zijn.” “Ja, vader”, antwoordt de zoon. Zijn hele gemoed komt in opstand maar hij beheerst zich. “Zijn vader gaat binnenkort dood”, denkt hij, “laat hem rustig aan zijn einde komen.” Hij voelt ironie in zijn denken, maar nog voordat hij hier afdoende mee kan afrekenen, vraagt zijn vader hem: “Hoe gaat het op school, jongen?” Zijn vader is nog steeds in de aanval. “Wel goed”, antwoordt de zoon, “ik had vandaag een acht voor Engels.” De drie voor Latijn verzwijgt hij; dat was toch alleen maar een woordjesrepetitie. “Denk je dat je dit jaar je eindexamen zult halen?” “Ik denk het wel.” Hij liegt, de zoon, hij liegt het. Hij weet dat hij nog even slecht op het eindexamen voorbereid is als vorig jaar.

Zijn vader pakt zijn vestzakhorloge uit het laatje van het nachtkastje naast zijn bed. “Je zult zo wel moeten gaan”, zegt de vader. Het is nog een kwartier te vroeg, ziet de zoon op de klok boven de kamerdeur. “Dat horloge heb je me vroeger eens beloofd, als...”, zegt de zoon. Ineens krijgt hij een vuurrode kop. Te laat beseft de zoon, wat hij gezegd heeft. Ongemerkt heeft hij de tegenaanval ingezet. “Ja, als ik dood ga”, zegt zijn vader, “Hier! Neem maar mee!” “Nee, dat bedoelde ik niet. Dit horloge blijft toch steeds stil staan. En de horlogemaker heeft gezegd dat het niet meer te repareren is.” Hij maakt het steeds erger. Zijn hoofd werkt koortsachtig. Hoe kan hij zich hier uit redden? Snel voegt hij eraan toe: “Moeder wil een nieuw horloge voor je kopen.” “Ik heb een nieuw sleuteltje gekregen. Nu kan ik het weer goed opwinden”, antwoordt zijn vader. Zijn vader demonstreert het zijn zoon, dan bergt hij het weer in het laadje van het nachtkastje op. De zoon is opgelucht.

Om precies vijf minuten voor het einde van het bezoekuur komen zijn oom en tante. De zoon is woest. Hoe durven ze zo laat nog binnen te komen. Dat is een openlijke belediging. Zij willen zo snel mogelijk van zijn vader af zijn.

Zijn oom en tante duwen hem opzij om de uitgestoken hand van zijn vader te drukken. “D′r liggen d′r op het ogenblik zoveel in het ziekenhuis dat we bijna tijd te kort komen om ze allemaal af te gaan”, smoest zijn tante. Daarna ontspint zich direct een levendig gesprek. Zijn vader gaat er rechter voor opzitten.

“Nou, ik ga maar”, zegt de zoon. De vader kijkt verbaasd naar zijn zoon, omdat hij de verandering in zijn stem opmerkt. De zoon slaat er geen acht op. Hij zet zijn helm op, ritst zijn jas dicht en loopt al buiten, als hij nog bezig is zijn das om te slaan. Buiten is het donker. Hij stapt op zijn brommer, laat de koppeling sneller los dan noodzakelijk: de brommer springt vooruit. Bij een kruispunt vliegt hij bijna tegen een aanstormende auto op. De zoon weet nog juist op tijd te remmen, gierende banden, de brommer staat dwars over de weg. “Daar lag ik bijna te pletter gereden tegen een boom”, denkt de zoon, hoewel er geen boom in de verste verte te zien is. Dan rijdt hij verder. Het is koud, de wind suist tussen zijn hoofd en de oorkleppen van de helm door.

Het bidprentje.

Om precies kwart over vier is het horloge blijven stil staan: het tijdstip van vaders dood. Meteen is de hele familie bijeengeroepen. ′s Avonds zitten de broers met bedrukte gezichten rond de tafel geschaard. Zijn moeder is naar zijn oom en tante.

“Er moet een bidprentje gemaakt worden”, zegt zijn oudste broer, die kapelaan is. De zoon, de jongste uit het gezin, zit precies tegenover hem, ook aan de lange kant van de tafel. Hij heeft twee stoelen in beslag genomen. Opeens bedenkt hij: één stoel voor hem en één voor zijn vader. Hij schrikt van die gedachte, en wil zijn benen terugtrekken, maar uiteindelijk laat hij ze toch liggen, waar ze liggen. De zoon kijkt niet naar zijn oudste broer, maar hij kijkt zijn broer die ook naar het seminarie is geweest en zich juist op tijd heeft teruggetrokken, recht in het gezicht. Wat achteraf zitten zijn twee andere broers, buiten de lichtkring van de lamp, die precies boven de tafel hangt.

Er moet een bidprentje gemaakt worden, maar niet zo′n gewone als bij andere begrafenissen. Zij zijn geen gewone familie: zoveel jongens die gestudeerd hebben, en dat terwijl de vader een gewone boer was. Zijn vader had ternauwernood de lagere school afgemaakt. “Jij hebt hem het laatst meegemaakt”, zegt zijn oudste broer tegen hem, de jongste zoon. Het klinkt als een dreigement. “Hoe was hij de laatste tijd?”
“Nou, net als altijd: in zichzelf gekeerd. Hij was mensenschuw, altijd verschool hij zich achter zijn krant.”
“Nee, mensenschuw was hij zeker niet”, zegt een broer uit de duisternis.
“Ja, de krant, die heeft hij altijd bijgehouden”, zegt de kapelaan, en noteert dit op een schrijfblok dat voor hem ligt.
“Maar verder, hoe was hij eigenlijk?”, hij stelt de vraag nu meer in het algemeen, en kijkt daarbij de kring rond. “Hij was zuinig. Als ik nieuwe kleren wilde kopen, dan was Leiden in Last”, zegt de jongste zoon. “Laatst nog kocht moeder een pyjama .....”
“Ja, hij was zuinig”, zegt zijn oudste broer en trekt een bedenkelijk gezicht. “Maar, dat kun je toch niet op een bidprentje zetten”, roept de broer uit, die ook op het seminarie gestudeerd heeft, en de zoon recht in het gezicht kijkt. Als er iets geschreven moet worden, doet hij dat eigenlijk altijd, en niet de oudste broer.
“Nee”, zegt zijn oudste broer. Er valt een stilte.
“Zou je een pilsje kunnen drinken?”, vraagt de kapelaan.
“Ik heb ook dorst”, klaagt de jongste zoon, en verheugt zich stilletjes op een zuippartij.
“Nee, dat gaat niet”, zegt de broer die net op tijd van het seminarie is gegaan.

De zoon kijkt hem aan. En op dat moment ziet hij een ovale spiegel rond het gezicht van deze broer. En hij kijkt in zijn eigen gelaat. Hij ziet zichzelf daar zitten, zoals hij tot nu toe geleefd heeft. “Nee, zó wil ik niet worden. Niet als die broer”, denkt hij. Hij hoort de anderen praten, op een afstand. Zijn broer, nu weer met z′n eigen gezicht, zegt: “Hij was een spaarzaam mens. Dat zou je wel kunnen zeggen.” Zijn oudste broer knikt en noteert “spaarzaamheid” op zijn schrijfblok.

De zoon zwijgt. Zijn broers praten verder. Zijn broer, de landbouwer, die geweigerd heeft vaders keutelboerderijtje over te nemen, wil persé iets over de boerderij op het bidprentje zetten. De zoon haat hen allemaal. Hij trekt zijn benen van de stoel af en staat op.
“Waar ga je naar toe?”
“Naar bed!”
“Maar het bidprentje is nog lang niet klaar.”
“Ik ben moe”, huichelt hij. “Ik wil slapen.” Ze kijken hem met bezorgde ogen aan.

De zoon doet de deur open en gaat naar zijn slaapkamer. Op zijn slaapkamer hoort hij zijn broers nog redetwisten. “Net alsof ze mij nog nodig hadden”, denkt hij. Hij wil er niet aan denken. Even later hoort hij vanuit zijn bed zijn moeder thuis komen. Hij is ontroerd, als hij hoort dat zij direct naar hem vraagt. Dan wordt er gefluisterd, opdat de zoon hen niet kan afluisteren. De zoon krijgt het gevoel alsof het morgen Kerstmis zal zijn. Alleen met kerstmis zit hij vol voornemens om in het komende jaar een beter mens te worden, om herboren te worden. En deze avond heeft niet hij gelogen, maar zijn broers, de verraders. Deze keer heeft hij openlijk gezegd, wat hij dacht. Hij heeft er geen doekjes omgewonden. En met een vredig gevoel valt hij in slaap. In zijn slaap ligt hij te watertanden, alsof hem een heerlijk kerstdiner te wachten staat. Als hij ′s ochtends wakker wordt, weet hij niet meer waarover hij gedroomd heeft. Alleen het ongedurige gevoel dat hem iets bijzonders te wachten staat, laat hem niet los.

Het lijk.

De volgende dag,′s middags, rijden alle broers en zussen in hun auto naar het ziekenhuis. De zoon zit bij zijn zuster in de auto. Hij zit alleen op de achterbank. Hij voelt zich opgewonden. Een bijna feestelijk gevoel maakt zich van hem meester. Eerst stoppen ze voor een poort van het ziekenhuis, die gesloten blijft, ook na lang aanbellen. Niemand komt open doen. De hele stoet auto′s rijdt om het ziekenhuis heen. De deur aan de andere kant is wel open. Nu moeten ze door het hele ziekenhuis heen lopen om bij de lijkkapel te komen.

Ze lopen door eindeloze gangen. Het wordt steeds stiller. Op deze gang komen geen ziekenkamers meer uit. Zijn moeder loopt voorop, pasje voor pasje. Zijn broer, de kapelaan, opent de deur van de lijkkapel. Daar ligt zijn vader, opgebaard in een kist. De kist staat schuin naar voren hellend op een katafalk. In zijn handen houdt zijn vader krampachtig een rozenkrans gekneld.

De broers en zussen gaan in een rijtje recht achter de kist staan. De kapelaan laat de deur met een knal achter zich dicht vallen. Het geluid sterft weg. Het is stil. Je kunt de mensen horen en zien ademen. Het is koud. Een schoonzus begint te snotteren. De zoon krijgt op dat moment een gloeiende hekel aan haar. Zijn andere broers en zussen schuifelen een beetje terzijde. “Net goed”, denkt de zoon. Dan volgt zijn boeren broer, die met haar getrouwd is, haar voorbeeld. Hij huilt. De zoon hoort zijn moeder haar neus snuiten. Hij kijkt naar haar, haar ogen zijn rood omrand, zij heeft tranen in haar ogen, met een witte zakdoek wrijft zij wat heen en weer onder haar neus, maar zij huilt niet.

Zijn broers en zusters knielen. De zoon vraagt zich af of hij overeind zal blijven staan. Hij gelooft niet in god en hij wil ook niet voor god knielen. Dan knielt hij neer. Dan staat ineens iedereen weer overeind. Zijn moeder begint te bidden. Zij telt op haar hand af hoeveel weesgegroetjes en onzevaders ze gehad heeft. Zij is haar rozenkrans vergeten.

Zijn andere broers en zussen schuiven nog wat meer terzijde. De rij kromt zich rond de kist met zijn vader. Zijn moeder blijft bij het voeteneind van de dode staan. De broers en zussen staan nu om het lijk heen. De moeder zoekt zenuwachtig iets in haar mantelzakken. De kapelaan kijkt in het rond en slaat een kruis. Maar met dat hij zijn hand van achter zijn rug tevoorschijn trekt, begint een eucharistisch ceremonieel. De broers en zussen eten met mummelende kaakbewegingen van het Heilig Lichaam. Of verbeeldt hij zich dat alleen maar? Ondertussen bidt zijn moeder: hoeveel vingers heeft haar hand?

Dan valt er een stilte. Met huilerige stem vraagt zijn moeder of ze nog een rozenhoedje zal bidden. “Nee”, zegt z′n oudste broer, de kapelaan. Zijn broers en zussen knielen en komen weer overeind. Moeizaam komt de moeder uit de geknielde houding overeind. De stoet broers en zussen trekt de gangen van het ziekenhuis in. De zoon overvalt een plotseling gevoel van eenzaamheid. “Hier ligt mijn vader nu niet meer”, denkt hij. De zoon voelt zich terneergeslagen.

Als ze thuis komen sluit hij zich bijna direct op in zijn slaapkamer. In het schemerige namiddaglicht gaat hij aan tafel zitten. Hij pakt zijn dagboek en schrijft, hij schrijft gedichten. Gedichten, waarvan hij de zin niet begrijpt, maar die hem troosten, zoals Stig Dagerman zich liet troosten door het schrijven van verhalen. Hij leeft in zijn woordenwereld en schrijft woord voor woord neer op het witte dode papier.

De begrafenis.

De volgende dag is hij ′s ochtends vroeg wakker. Vandaag zal zijn vader worden begraven. Vandaag.

Als hij in de keuken komt, verwondert hij zich erover dat er al zo vroeg broers en zussen van hem in de keuken zijn. Hij gaat stil in een hoekje zitten. Zal hij gaan lezen? Er wordt gebeld, hij gaat open doen. Er staat iemand van de drukkerij voor de deur. In zijn hand houdt hij achteloos het pak bidprentjes. Hij neemt ze aan, zonder de jongen binnen te laten. Als hij het pak op tafel legt, vraagt zijn moeder:
“Moest je die jongen niet binnenlaten?” Hij haalt zijn schouders op. Zijn broer, de ex-seminarist, opent het pak. Hij haalt er een bidprentje uit. “Ze zijn mooi geworden. Ook de tekst is goed”, stelt hij tevreden vast. De zoon kijkt naar het bidprentje. “Eigenlijk te mooi voor al die stomme boeren en boerinnen...”, zegt hij. Er valt een stilte. De zoon staat op en gaat naar buiten. De dooi is ingevallen, overal liggen plassen water. Het zand is modderig. Er wordt nijdig op de ruit getikt. Hij kijkt. “Je kunt niet met smerige schoenen naar de kerk gaan”, roept zijn zus kwaad. Hij haalt zijn schouders op en gaat weer naar binnen. “Je weet toch wel dat jij als jongste bloemen op zijn graf moet leggen?”, zegt zijn oudste broer, en zijn stem klinkt berispend. Een andere broer grinnikt. De zoon kijkt hem aan, maar zijn broer kijkt ergens anders naar. “Waarom staat hij daar zo stom te grinniken?”, denkt de zoon. Hij gaat zitten. Even stond de wereld stil. Nu gaat iedereen weer zijn gewone gang. Ze lopen langs hem heen.

Hij gaat naar zijn slaapkamer en pakt uit de boekenkast de bijbel. “In het boek der Openbaringen moet ik zoeken” , gaat het door hem heen, toch doet hij dit pas op het laatst. Daar ziet hij staan (Boek der Openbaring, hoofdstuk 14, vers 9-12):

“Een andere Engel, een derde, volgde en riep met machtige stem: Zo iemand het Beest aanbidt en zijn beeld; het merkteken aanneemt op voorhoofd of hand, dan zal hij drinken de wijn van Gods toorn, onvermengd bereid in de beker van zijn gramschap. Gepijnigd zal hij worden door vuur en zwavel ten aanschouwen der engelen. En voor het aanschijn van het Lam. De rook hunner foltering stijgt op in de eeuwen der eeuwen. Zij hebben geen rust dag of nacht. Zij die aanbidden het Beest en zijn beeld, al wie het merkteken draagt van zijn naam”.

En op het moment dat hij dit leest, herinnert hij zich weer een gebeurtenis van heel vroeger. Hoe oud was hij toen? Hij weet het niet. Zijn vader wijzend met een pook in de gloeiende kolen en de laaiende vlammen van de kachel: “Zo heet zal het zijn in de hel en je zult er branden tot in eeuwige dagen.” “In de hel is het toch nog veel heter”, had hij daarop opgemerkt. Zijn vader had hem vertwijfeld aangekeken. Hij sloeg de deur van de kolenkachel dicht. “Wat er van jou moet worden, ik weet het niet. Jij kijkt veel te graag in het vuur. Daar ga je van in je broek pissen.”

Als hij in gedachten verzonken is, wordt hij geroepen. Eindelijk is de lijkwagen gearriveerd. Hij is laat. De zoon hoort van een broer, dat de lijkwagen een lekke band heeft gekregen. De chauffeur heeft de eerste wagen in de kant van de weg laten staan. Liftend is hij naar huis teruggegaan, waar hij bij zijn concurrent een andere auto heeft gehaald. De chauffeur is met een vaart van 100 km per uur naar het ziekenhuis gereden. “Op de terugweg heeft hij langzamer gereden”, zegt hij, “uit piëteit voor de overledene”. “Of doodgewoon, omdat het niet mag”, denkt de zoon.

De zoon wil zien hoe de kist eruit ziet. Maar daar is geen tijd meer voor. Weer rijden ze in konvooi, nu achter de lijkwagen met zijn vader, nu in de richting van de kerk. Ook bij de kerk krijgt de zoon de kist niet te zien. Haastig gooien de dragers van de draagbaar er een zwart kleed overheen. “Het lijkt wel, alsof ze bang zijn dat de mensen zien dat het een goedkope kist is”, denkt de zoon. In de kerk staart de zoon onafgebroken naar de draagbaar, waarop de kist staat met het zwarte doodskleed erover. “Waarom hebben ze de kist niet onbedekt voor het altaar neergezet”, vraagt hij zich af. Naast hem zitten de petekinderen van zijn vader. De zoon voelt zich niet op zijn gemak, omdat hij naast deze jonkies in de kerk moet zitten. “Zo dadelijk past de kist niet in het graf. Zul je altijd zien bij kleine mensen. De grafdelvers denken altijd dat die nog kleiner zijn dan ze zijn.”, denkt hij.

Buiten gekomen, zes mannen dragen de draagbaar naar buiten, krijgt de zoon ineens een bos bloemen in de hand gedrukt. “Dat is waar ook”, schiet hem te binnen. Ook de petekinderen krijgen bloemen. De dragers van de draagbaar lopen te snel. Hij en de twee petekinderen volgen de dragers op de voet, ze moeten bijna rennen. Maar zijn moeder die achter hen loopt, kan niet meekomen. De zoon houdt zijn pas in. Eén van de broers houdt een paraplu boven het hoofd van zijn moeder. “Wat een aanstellerige onzin”, denkt de zoon. Het regent bijna niet. Maar als ze op de begraafplaats aangekomen zijn, begint het te gieten. De pastoor dompelt mompelend de wijwaterkwast in de emmer die door één van de twee misdienaars hem wordt voorgehouden, en laat de druppels nonchalant neerkletsen op de kist. Het doek is van de kist getrokken. Dan moet de kist de grond in, maar het gat is inderdaad te klein. De pastoor gooit met hetzelfde achteloze gebaar als bij het wijwater aarde op de kist, die boven de grond blijft staan in afwachting van de definitieve afdaling. Het koor dat in de regen is meegekomen naar het kerkhof, blijft in het “Dies Irae” steken. De zoon kan nauwelijks een lach onderdrukken. Dan is de plechtigheid afgelopen. De zoon knielt en laat net als de beide petekinderen bloemen achter bij het graf. “Stig Dagerman zou hier als eerbewijs aan de dood zijn niet gepubliceerde verhalen achtergelaten hebben”, schiet het door zijn hoofd.

In looppas gaat hij naar het café waar alle kerkgangers uitgenodigd zijn voor een kopje verse koffie. Samen met de petekinderen is hij er als eerste. Weinig op zijn gemak gaat hij de warmte van het café binnen. Iedereen kijkt hem aan. Hij gaat naar de zaal waar de broodjes en koffie klaar staan. Spoedig is hij niet meer alleen. Hij moet in de rij staan om de condoléances in ontvangst te nemen.

Onder de aanwezigen ziet hij zijn vader. De zoon kijkt ongelovig naar het gezicht van de man. Hij vraagt zijn broer die naast hem staat, wie dat is. Het is een broer van zijn vader. Had zijn vader een broer? De zoon kan zijn ogen niet van hem afhouden. Dan ziet hij de verschillen. Ten slotte komt hij tot de conclusie dat zijn vader en die vreemde man helemaal niet op elkaar lijken.

Als de hele rij kerkgangers handje geschud heeft, gaan ze koffie drinken. Na de koffie gaat de zoon naar buiten. Opeens beseft hij duidelijk dat hij zijn vader mist. Hij denkt aan de liedjes, die zijn vader voor de hond, de kat en de kippen zong. Hij denkt aan de Vos Reinaerde, die de vader van de zoon eens cadeau heeft gekregen. Zijn vader las het telkens en telkens weer. “Hij hield van Beesten”, denkt de zoon, “niet van mensen. Misschien had hij daar wel gelijk in.”

Amsterdam, 1974.

Op de landjes tussen de huizen staan schuurtjes. Op de schuurtjes lopen iedere dag weer katten. Zwarte katten, zwart-wit gevlekte en roodharige. Op een dag hoort de zoon luidkeels piepen. Hij besteedt er geen aandacht aan. Als het krijsende piepen aanhoudt en hij ziet dat de vrouw van het huis achter het zijne op haar achterbalkon blijft staan kijken, begrijpt hij: dit is een noodkreet.

Hij kijkt door het achterraam naar beneden. Beneden in de tuin hebben de katten een spreeuw gevangen. Het beest roept luidkeels zijn nood naar de daken. Dan weer houdt het zijn bek. De kat die de vogel gevangen heeft, laat hem los. De kat maakt een omtrekkende beweging, maar de vogel blijft doodstil liggen. De kat nadert van achteren de spreeuw. Voorzichtig steekt het zijn poezelige pootje in de richting van de vogelkop. De spreeuw beweegt zich niet. De kat geeft het verwonderd op. Verwonderd over de dood. Zonet was de vogel nog springlevend, het fladderde met al zijn vleugels, het krijste luidkeels de mensen naar de ramen. Nu ligt het daar, stil op zijn zij gezakt. De kat loopt weg.

Maar dan ineens springt de vogel in leven en hipt met al zijn pootjes naar de afrastering van het tuintje. Een andere zwarte kat zet de achtervolging in. Een rode kat loopt om de afrastering heen. Een vooruitziende blik. Als de vogel een gat gevonden heeft, waardoor hij aan de zwarte kat weet te ontsnappen, springt de rode kat hem naar de keel. Hij fladdert nog wanhopig in de bek van de rode kat, maar deze laat hem niet meer los.

De zoon kan het niet langer aanzien. De kat met de vogel nog steeds in zijn bek, zit precies onder zijn keukenraam. Hij pakt een steelpannetje, vult het met water en zonder ook maar even te kijken of dit het geschikte moment is, gooit hij het water naar beneden. De rode kat neemt vliegensvlug met de vogel in zijn bek een sprong op een schuurtje, dat buiten bereik van de zoon ligt. Daarna heeft de zoon die dag het geluid van de krijsende hulpkreet niet meer gehoord.

Alwie geïnteresseerd is, wordt gevraagd om commentaar of een verhaal
an te leveren in het Gastenboek!

        

Literatuur:

  1. Beknopte handleiding bij de Diagnostische Criteria van de DSM-IV.
  2. Verzeichnis der Lithographien (1893-1980), A. Paul Weber.
  3. Reinaert De Vos, naar de oudste berijming uit de twaalfde eeuw, en opnieuw in 1834 berijmd door Jan Frans Willems, 1958, Ooievaar 75, Bert Bakker, Daamen NV, Den Haag.
  4. Natte Sneeuw, Stig Dagerman, 1950
  5. Het verbrande kind, Stig Dagerman, 1948
  6. The Doors, The end (voor de film Apocalyps Now!)